13-04-09

°Vijf minuutjes...°

Brekende klomp.


Buiten – doorheen het raam – was alles lente: bladeren maakten het landschap minder doorzichtig, alles kiemde, groeide, bloeide, tot zelfs de wilde zonnebloemen, ontsproten uit door de vingers geglipt zaad van hun voorgangers op weg naar de mesthoop. Een briesje blies levensadem over het kalme wateroppervlak heen.

Binnen waren mijn handen klam en voorhoofd koortsig warm, na vele jaren nog steeds niet gewend aan het eeuwig evenwichtig droog tropische klimaat: broeihaard van ziektekiemen als een warm dekentje om kouwelijk zieke mensen heen, als een kersenpitkussen dat de voeten van een arme, oude weduwe ’s winters verwarmt. Tropisch was het klimaat, waarin steriele handen werkten, dat nooit of te nimmer verfrist werd door een hemelse stortregen. Neen, eeuwig evenwichtig en onveranderd onveranderlijk, gevoelloos, koud.

Steenkoud waren ook mijn ogen wanneer ik ze na mijn mijmerend overpeinzen van het tafereel losscheurde en ze confronteerde met het contrast hierbinnen. Een steen maakte ik van mijn hart terwijl mijn voeten zich voortbewogen. Onzichtbare voetsporen bleven achter op de rustgevend bedoelde vloer – onzichtbaar, immers is alles er steriel, herinner u – en boorden zich er dieper in dan anders, wat niet onlogisch was, aangezien mijn hart bezwaard was (steen is moeilijker te tillen dan spieren, probeert u maar en u zal zien), er iets op mijn maag en lever lag, mijn darmen een knoop doorworstelden en er achter mijn ogen vijvers met diepe gronden wortelden. Mijn schoenen wogen als lood: de moed was me in de schoenen gezakt. Hoogstwaarschijnlijk was het de moed der wanhoop die me door die gangen dreef; hoop doet leven.

Ik ging het laatste hoekje om, wilde op mijn schreden terugkeren, maar wachtte gewoon even. Daar stond hij dan, mijn ‘patiënt’, ik noemde hem liever mijn slachtoffer, letterlijk te interpreteren dan, jammer genoeg. Klaar voor de slachtbank. Zo onopvallend hij geweest zou zijn in het diepste en donkerste hart van de Saharawoestijn, zo opvallend grijs, neigend naar vaalgeel was zijn teint tussen het kraakheldere wit van de ziekenhuisgangen dat pijn doet aan de ogen en ozo schril afsteekt tegen de bloedrode pijn die er kind aan huis is. Wit, herinner u: rust en steriliteit (hoewel dat eerste toch wel betwistbaar, meer zelfs aanvechtbaar is). Om nu even mijn draad terug op te pikken (chirurgie is geen vak, het is je leven): daar stond ik dus, moederziel alleen, aarzelend, neen, noem het twijfelend of weifelend naar u verkiest, starend naar die vreemdeling die goedgelovig zijn lot in mijn handen geplaatst had.

Wordt vervolgd...

11:26 Gepost door Sinalis | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.